Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Groenzone Berkel-Pijnacker, 3e herziening, woonwagencentrum Meerweg
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.1621.BP0022H03-ONTW

4.3 Externe veiligheid

Door de provincie wordt, in het kader van externe veiligheid, aangesloten op het landelijke beleid. De regelgeving omtrent externe veiligheid is geregeld in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI). Op 8 september 2004 is een ministeriële regeling in werking getreden waarin onder meer veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn aangegeven. Vervolgens is op 27 oktober 2004 het BEVI grotendeels inwerking getreden. Het treedt namelijk gefaseerd in werking voor sanering van bestaande bedrijven. Het BEVI is per 13 februari 2009 gewijzigd.
Het BEVI legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting en is opgesteld om de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, vanwege risicovolle inrichtingen, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
 
In augustus 2004 is voor het vervoer van gevaarlijke stoffen de circulaire RisicoNormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) gepubliceerd. In de circulaire RNVGS is het rijksbeleid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving, verduidelijkt en geoperationaliseerd. In de circulaire is zoveel mogelijk aangesloten bij het BEVI. Bepaalde maatschappelijke activiteiten brengen risico’s op zware ongevallen, met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving, met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico’s. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand te bewaren tussen risicovolle activiteiten en bijvoorbeeld woningen, kan worden voldaan aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars. Het rijksbeleid is erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd.
 
De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten (artikel 1 van het besluit). Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels en horeca.
 
Naast het onderscheid in kwetsbaar en beperkt kwetsbaar wordt er ook onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan.  
 
Bij groepsrisico is het niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de mogelijke ramp. Voor groepsrisico is er geen grenswaarde, maar een richtwaarde. In het BEVI is deze verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. Er zal zoveel mogelijk rekening moeten worden gehouden met deze richtwaarde. Afwijken van de richtwaarde zal grondig moeten worden gemotiveerd.
 
4.3.1 Bevi inrichtingen
BEVI inrichtingen
In onderhavig geval gaat het om de herontwikkeling van een woonwagenstandplaats. In het kader van het BEVI dient er rekening te worden gehouden met de afstand tussen risicovolle inrichtingen en woonwagens. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart van de provincie Zuid-Holland waarin de risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied zijn weergegeven.
 
Uitsnede risicokaart Zuid-Holland
4.3.2 Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
In Nederland ligt ongeveer 18.000 kilometer aan ondergrondse leiding die gevaarlijke stoffen transporteren. Het gaat daarbij in het bijzonder om aardgas en om brandbare vloeistoffen. De manier van transport is veilig en betrouwbaar. Het kost weinig ruimte en het is nog snel ook. De aanleg van een nieuwe leiding is echter niet goedkoop. Ze zijn moeilijk te verleggen of aan te passen. De wet- en regelgeving omtrent het transport middels buisleiding schiet op veel punten tekort en dient te worden aangepast. Voor het transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen wordt nieuw beleid ontwikkeld, dat zich in een vergevorderd stadium bevindt. Het huidige ruimtelijke beleid is beschreven in het Structuurschema buisleidingen (1985) en in twee circulaires (voor hoge druk aardgasleidingen in 1984 en voor brandbare vloeistoffen in 1991). Op 9 februari 2007 heeft het kabinet ingestemd met een nieuwe aanpak van het beleid ten aanzien van buisleidingen. Zo is men bezig met de ontwikkeling van een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Buisleidingen. In de AMvB worden regels gesteld ten aanzien van:
  • risico's en zonering langs buisleidingen;
  • het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen;
  • technische eisen;
  • het aanwijzen van een toezichthouder;
  • melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen.
Het ontwerp besluit van de AMvB is op 19 augustus 2009 naar de Eerste en Tweede kamer gestuurd.
 
In paragraaf 4.3 is vastgesteld dat er in de nabijheid van het plangebied een buisleiding is gelegen. Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat er voor de betreffende buisleiding een risicocontour ten aanzien het plaatsgebonden risico geldt van 15 meter. Het plangebied is gelegen op meer dan 15 meter van het hart van de buisleiding en levert geen belemmeringen op.  Afgezien van het plaatsgebonden risico is het eveneens noodzakelijk om de het groepsrisico van de relavante risicobron vast te stellen.
 
Bij het groepsrisico is het niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de mogelijke ramp. Voor groepsrisico is er geen grenswaarde, maar een richtwaarde. 
 
Er kan uit worden gegaan van een 'bestaande situatie'. Bij de herinrichting van het plangebied is uitgegaan van de veiligheidseisen conform de handreiking 'Brandveiligheid voor woonwagens en woonwagenslocaties' (maart 2009). Gesteld kan worden dat de planontwikkeling leidt tot een verbetering van de huidige situatie en het groepsrisico neemt niet toe.
 
In het kader van het groepsrisico rekening te worden gehouden met het resteffect. Hiertoe is het van belang om de zelfredzaamheid en de mogelijkheden voor hulpverlening te behouden en waar mogelijk te vergroten. 
Bij toekomstige herontwikkeling of herbouw dient advies in te worden gewonnen bij de 'Veiligheidsregio Rotterdam-Rotterdam' (VRR). Het advies in het kader van onderhavig plan luidt als volgt:
VRR adviseert om hiervoor rekening te houden met de volgende voorzieningen:
  • Bij de herontwikkeling van het woonwagencentrum de woonwagens zodanig te realiseren dat aanwezigen bij een plasbrand gelegenheid hebben snel te vluchten. Hierbij dient minimaal een (nood-) uitgang van de DPO-leiding af gericht te zijn. Alle (nood-) uitgangen dienen in voldoende mate aan te sluiten op de bestaande infrastructuur binnen en buiten het plangebied. Daar het Bouwbesluit niet ingaat op de orientatie van (nood)uitgangen en daar de orientatie van nooduitgangen ruimtelijk relevant is, is deze maatregelen te borgen middels een nadere eis in het kader van artikel 3.6d Wro;
  • De woonwagens op meer dan 40 meter vanuit de DPO-leiding te situeren, dit ter voorkoming van branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) als gevolg van een plasbrand;
  • Indien de woonwagens binnen 40 meter vanuit de DPO-leiding worden gesitueerd, dienen de woonwagens beschermd zijn tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO). Hierbij moet voor de gevels gericht naar de DPO-leiding gedacht worden aan blinde gevels of het beperken van het glasoppervlak. De gevels en of het glasoppervlak welke gericht zijn naar de DPO-leiding bestand te laten zijn tegen een warmtestralingsflux > 15 kW/m2;
  • De herontwikkeling van het woonwagencentrum dient te voldoen aan de huidige veiligheidseisen conform de handreiking 'Brandveiligheid voor woonwagens en woonwagenlocaties' (maart 2009);
  • Het woonwagencentrum behoort te voldoen aan de bereikbaarheid, ontsluiting en bluswatervoorziening zoals gesteld conform de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR);
  • Adviespunt 4 en 5 behoort ter goedkeuring worden voorgelegd aan de afdeling Brandveiligheid van de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond District Noord;
  • Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezigen personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne Denk Vooruit ("Rampen vallen niet te plannen. Voorbereidingen wel"). 
Door middel van het realiseren van bovengenoemde voorzieningen is het mogelijk dat het groepsrisico afneemt. De effecten bij een mogelijk ramp zullen verder teruggedrongen worden.
In de huidige situatie is met bovenstaande rekening gehouden. Echter de bouwvergunning voor het bouwen van de zeven woonwagens is op 19 februari 2009 door de gemeente verleend. Dit wil zeggen dat de woonwagens reeds zijn gebouwd. Met betrekking tot de situering van de wagens en de nooduitgangen zijn aanpassingen niet meer mogelijk.
Ondanks dat is het plangebied in de nieuwe situatie voldoende bereikbaar voor hulpdiensten via de inritten aan de oost- en westzijde. Er is voldoende primair bluswater voorhanden vanwege een brandkraan binnen 80 meter van het plangebied. Daarbij is er voldoende secundair (open) bluswater aanwezig in de buurt. Er zijn geen beperkingen in de zelfredzaamheid van de bewonersgroep bekend. Aangezien de dichtst bij de buisleiding gelegen woonwagens dwars op deleiding staan, is vluchten van de leiding af geen probleem. Via de speeltplaats kan men in tijden van nood naar het weiland ten noorden van het plangebied vluchten.
De woonwagens zijn op een afstand van circa 30 meter respectievelijk 55 meter gebouwd. Vijf van de zeven wagens staan binnen een zone van 40 meter die de VRR als veilige zone ziet tegen branddoorslag en -overslag als gevolg van een plasbrand. Het advies van de VRR luidt dat voor de wagens binnen 40 meter er gedacht dient te worden extra brandwerendheid. Dit kan echter niet meer worden opgevolgd gelet op het feit dat de wagens reeds gebouwd zijn. De eigenaar van de woonwagens wordt op de hoogte gesteld van het advies bij herbouw / verbouw van de wagens rekening te houden met de veiligheidsrisico’s vanwege de buisleiding.
De wagens zijn minimaal 5 meter uit elkaar gebouwd. Dezelfde afstandseis geldt voor aanbouwen en overkappingen en dergelijke. In het be-stemmingsplan wordt in de aan- en bijgebouwenregeling gewaarborgd dat bouwwerken op minimaal 5 meter uit de gevels van naastgelegen woonwagens worden gebouwd. Er is voldoende rekening gehouden met de VROM-handreiking 'Brandveiligheid voor woonwagens en woonwagenlocaties'.
Het plan is tijdens de voorbereiding voorgelegd aan de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond District Noord. De brandweer heeft input gegeven omtrent de conformiteit van de NVBR. Op de website van de gemeente Lansingerland is de campagne Denk Vooruit gepubliceerd.
Ondanks het feit dat de woonwagens reeds zijn gerealiseerd kan worden gesteld dat er voldoende rekening wordt gehouden met de uitgangspunten van het VRR. De nabij gelegen buisleiding vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
  
4.3.3 Vervoergevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Voor de routering van gevaarlijke stoffen is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Redenen voor routering zijn bijvoorbeeld kwetsbare situaties zoals dichte bebouwing, de aanwezigheid van een ziekenhuis of de ligging van een waterwingebied. Voorwaarde is wel, dat een door een gemeente aangewezen weg aansluit op het rijks- of provincialewegennet, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan. Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor, heeft het Rijk normen vastgesteld in de nota Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze normen hebben nog geen wettelijke status. In een gezamenlijke circulaire met dezelfde titel van de ministeries VROM, V&W en BZK wordt de nota verder uitgewerkt.
 
Conclusie
Uit raadpleging van de risicokaart volgt dat er in nabijheid van het plangebied geen routering van gevaarlijke stoffen is gesitueerd.
4.3.4 Conclusie externe veiligheid
Aan de hand van de resultaten, verkregen middels het raadplegen van de risicokaart van de provincie Zuid-Holland, blijkt dat er in de directe nabijheid van de planlocatie een buisleiding is gelegen. Het plangebied is echter niet gelegen binnen de plaatsgebondenrisicocontour. De locatie is gelegen binnen de invloedsfeer van de buisleiding. In praktijk is er sprake van een 'bestaande situatie' waarbij de planontwikkeling leidt niet tot een verdere verslechtering. In het kader van het groepsrisico. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet noodzakelijk. Vorenstaande neemt niet weg dat bij een eventuele herinrichting van het terrein waarmogelijk uitvoering wordt gegeven aan de maatregelen voorgesteld door de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.
 
Gelet op de aard van de ontwikkeling zal in de toekomstige situatie in het plangebied zelf ook geen risicovolle activiteit worden uitgevoerd die de externe veiligheid van omliggende kwetsbare objecten in gevaar brengt. Geconcludeerd kan worden dat er in het kader van het aspect externe veiligheid geen belemmering wordt verwacht.